Terug naar het spelregeloverzicht

showdownspelregels2005

showdownspelregels2005.doc

Showdown Spelregels
juni 2005

Internationale showdown spelregels
1. Algemene regels
Showdown wordt gespeeld door twee spelers. Het spel wordt gespeeld op een rechthoekige tafel met doelgaten aan beide korte kanten, en een dwarsplank. Het spel wordt gespeeld met bats en een bal waarin stalen bolletjes zitten om hem beter hoorbaar te maken. Het doel van het spel is om met het bat de bal over de tafel, onder de dwarsplank door in de goal van de tegenstander te spelen, terwijl deze dat probeert te vermijden.

1. De regels volgen hierna.

2. Het type toernooi zal door het IBSA Showdown Subcommité in samenwerking met de toernooiorganisatie worden bepaald.

3. Indien er misverstanden m.b.t. de IBSA-spelregels optreden, zal de Engelse versie bindend zijn.


Deze versie van de spelregels is tot stand gekomen tijdens de speciale IBSA meeting van 23-04-2005 in Praag (Tsjechië).

Deze versie bestaat uit vier delen:
A. Spelregels
B. Materiaalspecificaties
C. Appendix: Definities
D. Bijlage: Blauwdruk van de tafel




Nederlandse versie

Engelse "orginele" versie
IBSA Showdown Sub-Committee

Chairman of the IBSA Showdown Committee
Mr. Pata



SPELREGELS

Iedereen dient op de hoogte te zijn van de geldende spelregels.


2. Algemeen
2.1 Gedurende toernooien zullen per tafel de volgende officials aanwezig zijn:
A. Scheidsrechter
B. Tijdcontroleur (stop-tijd en time-outs)
C. Teller (score en aantal services)
De tijdcontroleur en de teller mogen dezelfde persoon zijn.

2.2 De scheidsrechter zal er voor zorgen, dat de spelregels op de juiste wijze worden toegepast. In alle voorkomende gevallen is de beslissing van de scheidsrechter bindend.

2.3 De scheidsrechter start en stopt het spel door een enkel fluitsignaal.

2.4 De winnaar is de speler die het eerst elf (11) punten behaalt met een minimaal verschil van twee (2) punten, tot een score van 16. Hierna; de speler die het eerste punt wint, zelfs als er geen verschil van twee (2) punten is.

2.5 Tijdens toernooien wordt de speeltijd per set beperkt tot vijftien (15) minuten zuivere speeltijd. Tijdens de finale van een toernooi wordt geen tijdslimiet gehanteerd.

2.6 Als een set voortduurt tot aan het einde van de speeltijd, zal de speler, die op dat moment voor staat, tot winnaar worden uitgeroepen. Indien de stand gelijk is bij het verstrijken van de speeltijd, zal er opnieuw getost worden. Nadat de speler geserveerd heeft wint de speler, die voorstaat

2.7 De spelers wisselen van speelhelft na elke set in de match. In de laatste set van de match wisselen de spelers van speelhelft nadat zes (6) punten door een persoon zijn gescoord, of nadat de helft van de stoptijd is verstreken.

2.8 Als er maar een (1) set wordt gespeeld, wisselen de spelers van speelhelft nadat zes (6) punten door een persoon zijn gescoord, of nadat de helft van de vastgestelde wedstrijdtijd is verstreken.

2.9 De maximale tijdslimiet voor het wisselen van speelhelft bedraagt een (1) minuut.

2.10 Bij het wisselen van tafelhelft moeten de spelers naar rechts rond de tafel lopen, tegen de richting van de klok in.

2.11 Na elke set mag de coach met de speler communiceren tot de speler zijn nieuwe spelpositie heeft bereikt.

2.12 Voor de aanvang van de wedstrijd moet de speler, die een coach heeft, deze aan de scheidsrechter aanmelden.

2.13 Tijdens het wisselen van tafelhelft mag een speler zich verfrissen, maar moet bij de tafel blijven (binnen ten hoogste één meter).


3. Time-outs
3.1 Gedurende een set heeft iedere speler/team recht op één time-out van vijfenveertig (45) seconden. Een verzoek voor een time-out moet aan de scheidsrechter gedaan worden, als het spel stil ligt. Een verzoek voor een time-out kan door zowel de speler als de coach worden gedaan.
Alleen tijdens een time-out (uitgezonderd het gestelde onder punt 2.11) mogen coach en speler overleggen.

3.2 De scheidsrechter mag het spel te allen tijde stoppen, als hij dat nodig vindt (b.v.: blessure, omgevingsgeluid, enz.). De scheidsrechter laat het spel doorgaan, door opnieuw te laten serveren. (dit noemen we een scheidsrechterstop)

3.3 De klok wordt tijdens een time-out of een scheidsrechterstop stilgezet.


4. Score
4.1 Voor een doelpunt worden twee (2) punten toegekend. Als er gescoord wordt geeft de scheidsrechter een dubbel fluitsignaal.

4.2 Spelers kunnen scoren ongeacht wie er aan service is.

4.3 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die de bal tegen de dwarsplank aanslaat, zodat de voorwaartse beweging van de bal wordt gestopt.

4.4 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die de bal over de dwarsplank heenslaat.

4.5 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die de bal met een ander deel van zijn lichaam aanraakt dan het bat of de speelhand. Dit wordt alleen bestraft als het deel van het lichaam, dat de bal raakt, zich binnen de grenzen van het speelveld bevindt.

4.6 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die de bal buiten het speelveld slaat.

4.7 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die de bal vastzet en stopt en niet binnen twee (2) seconden doorgaat met spelen.


5. Begin van het spel
5.1 Voordat de match begint stellen scheidsrechter, tijdcontroleur, teller, beide spelers en de eventuele coaches zich aan elkaar voor.

5.2 Voor de aanvang van de match dient de scheidsrechter de ondoorzichtige oogbescherming, het bat, de handbescherming en de kleding, die door de spelers wordt gedragen, te inspecteren.

5.3 Voor de aanvang van de match zal de scheidsrechter tossen (opgooien van een munt). De spelers wordt gevraagd kop of munt te kiezen. De speler, die juist gokt, mag kiezen, wie er begint met serveren.

5.4 De scheidsrechter rolt de bal naar de persoon, die moet serveren, en zal beide spelers vragen of ze klaar zijn om te beginnen. Als beide spelers te kennen geven, dat ze klaar zijn, start de scheidsrechter het spel met een enkel fluitsignaal.


6. Service
6.1 Na een fluitsignaal van de scheidsrechter moet de serverende speler binnen drie (3) seconden serveren. Doet de serverende speler dat niet, dan krijgt de tegenstander een (1) punt en verliest de serverende speler zijn service.

6.2 Tijdens het serveren telt iedere slag naar de bal als een service.

6.3 Elke speler moet vijf (5) keer achter elkaar serveren, daarna gaat de service over naar zijn tegenstander. Bij de 3e, beslissende set wordt om de beurt geserveerd.

6.4 Een geserveerde bal moet precies één keer de zijkant raken en terug kaatsen, voordat hij onder de dwarsplank doorgaat. Als dit niet gebeurt, fluit de scheidsrechter voor een foute service. De serverende speler verliest de service en de tegenstander krijgt een (1) punt.

6.5 De scheidsrechter heeft de mogelijkheid de service over te laten spelen, zonder dat er punten worden toegekend, als hij of zij niet in staat is geweest om een bepaalde spelsituatie goed te beoordelen. Dit wordt aangegeven door de uitdrukking 'let'.


7.
Het Spel
7.1 Er moet van de korte zijden van de tafel gespeeld worden. Een speler mag niet naast de tafel staan om te spelen.

7.2 De bal moet onder de dwarsplank door gaan voordat hij wordt beschouwd als zijnde 'in het spel gebracht'. (Zie 6.4)

7.3 Het bat moet te allen tijde met één hand worden vastgehouden, uitgezonderd de tijd die nodig is om van speelhand te wisselen. Overtredingen worden bestraft door een (1) punt aan de tegenstander toe te kennen.

7.4 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die zijn niet speelhand in het speelveld houdt. Uitgezonderd de tijd die nodig is om van speelhand te wisselen.

7.5 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die de bal slaat, die daarop op de kop van de zijwand en/of de contactplank komt en terugspringt in het speelveld.


8. Dode bal
8.1 De scheidsrechter verklaart een bal 'dood' en laat opnieuw serveren als de bal zo langzaam gaat dat het spel onnodig vertraagd wordt of als een speler de bal kwijt is.


9. Sancties
9.1 Het is niet toegestaan om het bat bewust in het doelgebied of boven het doelgat te houden, de scheidsrechter geeft bij een overtreding een (1) punt aan de tegenstander.

9.2 Als een speler, volgens de scheidsrechter, de bal met zijn vingers of met zijn duim verplaatst, anders dan in de slagbeweging, krijgt de tegenstander een (1) punt.

9.3 Als een speler het bat laat vallen, wordt dit bestraft met een (1) punt.

9.4 Spelbederf:
* Tafel op hinderlijke wijze heen en weer schudden;
* Onnodig hard schrapen met het bat over de tafel;
* Praten tijdens het spel; (Zie 2.11 en 3.1)
* Overige activiteiten ter beoordeling aan de scheidsrechter.
sancties:
1e overtreding: waarschuwing;
2e (en verdere) overtredingen: een (1) strafpunt per overtreding, (de service wordt niet over gespeeld)

9.5 In het geval van zeer ernstig wangedrag (bijv. het gooien met bal of bat), kan de scheidsrechter overgaan tot onmiddellijke diskwalificatie van de overtredende speler (dus zonder waarschuwing). De overtredende speler verliest de set met 11-0.

9.6 Er wordt een (1) punt toegekend aan de tegenstander van de speler, die vanuit de buitenkant met enig deel van zijn lichaam in het doelgat komt.




10. Kleding
10.1 De spelers moeten shirts met korte mouwen dragen (mouwen niet verder dan de elleboog).

10.2 Het is aanbevolen dat spelers hand- of vingerbescherming dragen. Deze handbescherming mag niet verder gaan dan zes (6) cm voorbij het polsbeen van de speler. De hand bescherming mag de hand niet meer dan twee (2) cm vergroten.

10.3 Spelers moeten oogbescherming dragen, die er voor zorgt dat de speler niets meer kan zien.

10.4 De scheidsrechter draagt witte kleding op zijn / haar bovenlichaam en verder dient hij/zij duidelijk als scheidsrechter herkenbaar te zijn



Materiaal specificaties


11. Bats
Bats moeten van een hard, glad materiaal worden gemaakt met een maximum lengte van 38 centimeter.

BLAD:


Lengte :
Breedte:
Dikte:
25 cm
9 cm
1 cm
Het blad kan vierkant of afgerond zijn

HANDVAT:
Lengte:
Diameter:
13 cm
4 cm
Dit is de lengte van het handvat buiten het blad. Voor het verbinden van blad en handvat mag het handvat verlengd worden (zonder limiet, het handvat mag niet breder worden dan 4 cm).



12. Ballen
Ballen moeten hoorbaar worden gemaakt door er kleine stukjes metaal in te stoppen (vb.: bee bees, stainless stalen metalen stukjes). Ballen moeten zes (6) cm in diameter zijn, met een hol hard glad oppervlak.




13. Tafel
HOEKEN:
Straal:
23 cm


CONTACTPLANK:
Breedte:
5 cm
Geen overhang buiten de tafel

DOEL GAT(halve cirkel):
Diameter:
30 cm


VOELBARE GRENSLIJN: (rond het doelgat)
Diameter:

44 cm


ZIJWANDEN:
Hoogte:
14 cm


RECHTHOEKIG VERTICAAL GAT (in de achterwand):
Breedte:
Hoogte:
30 cm
9-10 cm


DWARSPLANK (screen):
Hoogte:
46 cm


SPEEL OPPERVLAK:
Lengte:
Breedte:
Hoogte:
364-366 cm
121-122 cm
78 cm



14. Opstapje
(Dit is geen internationale regel, maar deze wordt in Denemarken en Nederland zo toegepast)
Kleine spelers (met een lengte van maximaal 1,70 meter mogen een opstapje gebruiken.

Advies voor de afmetingen:
Lengte = 80 cm
Breedte = 50 cm
Hoogte = 15 cm

De maten voor lengte en breedte mogen best meer zijn, de hoogte mag echter niet teveel afwijken. De wedstrijdleiding beslist te allen tijde wie welk opstapje mag gebruiken. Brengt een speler een eigen opstapje mee, dan dient dit aan de wedstrijdleiding ter goedkeuring te worden voorgelegd.



Definities

Speelhand: de hand (tot en met 6 cm voorbij de pols), waarmee het bat wordt vastgehouden. Met de hand wordt ook de handbescherming bedoeld, zoals beschreven is in regel 10.2.

Dwarsplank: de rechthoekige plank, die het speelveld in twee delen verdeelt. De dwarsplank steunt op de zijwanden boven het speelveld.

Contactplank: de smalle houten plank, die op de eindwand (achterwand) rust, waarop een speler zijn niet-speelhand kan leggen.

Set: de eerste speler, die elf (11) punten behaalt met een minimaal verschil van 2, tot een score van 16. Hierna, eerste punt wint (zelfs als er geen verschil van twee (2) punten is).

Doelpunt: Er is sprake van een doelpunt wanneer de bal het doelgat van een speler binnengaat of wanneer een speler, die een doelpunt tegen zou krijgen, met opzet de bal met enig deel van zijn/haar lichaam uit het doelgat duwt en dit door de scheidsrechter gezien wordt.

Doelgebied: gebied tussen doelgat en de voelbare omlijning.

Doelgat: de uitsparing in het horizontale vlak en de verticale achterwand waarin de bal dient te worden gespeeld om te scoren.

Match: Elke combinatie van sets, b.v.:
* Beste twee (2) van de drie (3) sets;

Speelveld: De ruimte die begrensd wordt door:
a) aan de zijkanten: door de zij- en achterwanden van de tafel
b) aan de onderkant: door het speeloppervlak
c) De bovenzijde van de zij- en achterwanden behoren niet tot het speelveld

Speeloppervlak: de bovenzijde van de horizontale plaat die deel uitmaakt van het speelveld.

Servicebeurt: reeks van vijf (5) services.

Stop-tijd: Maximale zuivere speeltijd.










IBSA



IBSA Showdown spelregels (versie juni 2005)
5/10






Terug naar het spelregeloverzicht